De 8e steen

Joh. 8:1-11

Jezus zit rustig in de tempel. Opeens worden de deuren opengeslagen en komen er een aantal mannen naar Jezus toe. Ze zijn in alle staten van opwinding. Aan hun gespierde armen sleuren ze een vrouw met zich mee die ze voor de voeten van Jezus werpen. Ze hebben haar zojuist betrapt op overspel. En als kenners van Gods Woord weten ze precies wat ze volgens de wetgeving met haar moeten doen. Hun oordeel en plan is klip en klaar; doden door te stenigen. Ze willen alleen nog even rabbi Jezus ‘vragen’, wat zijn mening is omdat Hij veel kennis van de wet heeft. 
Nadat Jezus hun verhaal gehoord heeft zegt Hij tegen hen: “Op overspel staat steniging en als twee of meer dat gezien hebben dan zal dat als feit vaststaan. Zo is de wet. Ze zal gestenigd moeten worden.” Hij zei vervolgens: “Zoek allemaal stenen bij elkaar en schrijf daarop waarom je vindt dat ze gestenigd moet worden en kom dan eerst weer bij mij terug”. Niet veel later staan de fanatieke en opgefokte mannen weer bij Hem. Ze laten Jezus en de overspelige vrouw de stevige stenen zien waarmee ze straks haar leven gaan beëindigen. Ook de woorden die ze erop geschreven hebben zijn niet mis: wetsverkrachter, verrader van je man, hoer, afschuwelijk wijf, weg met jou, leugenaar en dergelijke. “Prima, laten we naar buiten gaan en beginnen”, zegt Jezus. Even laten staan ze buiten in een kring om de vrouw heen. “Eén ding nog, voordat jullie gaan beginnen; degene die zonder zonde is mag de eerste steen naar haar werpen”. Het blijft een lange tijd stil. Muisstil. Een voor een laten ze hun vuisten los, de stenen rollen uit hun handen en vallen met een plof op de stoffige grond. Daarna verlaten ze, zonder nog iets te zeggen, de plek waarop het had moeten gebeuren. Daar zit deze vrouw, door iedereen in de steek gelaten. Ze kijkt naar de puntige stenen en wat daar allemaal op geschreven staat. Het is een chaos in haar hoofd. “Ze hebben gelijk”, denkt ze. “Ik heb mijn man verraden, ik heb me gedragen als een slet, ik heb gelogen, ik voel me smerig. Verdien ik het nog wel er te mogen zijn? Ben ik het nog wel waard?” De vrouw herkent zich in al die oordelen en ze zijn voor haar allemaal ‘waar’. 

Stel je het volgende voor. Zo zou jij ook naast Jezus kunnen zitten. Met voor je op de grond de stenen, met daarop alle oordelen geschreven die over je uitgesproken zijn. Stenen met alle oordelen waarmee jij jezelf steeds veroordeelt. Stenen waarop de oordelen geschreven staan waarvan je ook bent gaan geloven dat ze volgens jou ‘kloppen’ en ‘waar’ zijn. Ze doen je pijn. De twijfel in je is groot. Vanbinnen ga je langzaam maar zeker emotioneel kapot en dood.
Jezus schrijft wat in het zand en op een gegeven moment schuift Hij dichterbij en kijkt Hij je in je ogen aan. Bewogen, haast ontdaan fluistert Hij: “Weet je wie die eerste steen had mogen werpen? Nou…? Maar dat heb Ik niet gedaan. Omdat Mijn liefde voor jou zo ontzettend groot is. En, Ik heb ook een steen voor je. En ik heb er óók wat opgeschreven. Wees gerust. Deze steen heb Ik niet gepakt om naar je te gooien maar wil ik graag aan je meegeven.  Laat al die andere stenen die voor jou waren bedoeld maar liggen. Die neem ik wel op Me …”.

Ga er eens voor zitten en laat het bovenstaande op je inwerken. Ga in gebed. Ontvang de woorden die God jou ingeeft en wat Hij tot jou wil zeggen. Wat heeft Jezus speciaal voor jou op de steen geschreven die Hij aan je gegeven heeft? Zoek een steen, schilder deze in een mooie kleur en schrijf dat eens op die steen.


Zeven stenen. Zeven oordelen (naar “de zeven hoofdzonden”).
Zeven, het getal van de volheid. 
Iets anders dan dit oordeel ken je niet. 

De achtste steen: de steen van Jezus. 
De steen van liefde. 
De steen die niet volledig omsloten wordt door de andere stenen 
maar juist ruimte biedt om verder te gaan.
Acht: het getal dat in de Joodse cultuur symbool staat 
voor een nieuw begin, voor het opstandingsleven, voor nieuw leven.



 

Zoveel cliënten,
zoveel stenen,
zoveel verhalen.
Zó persoonlijk,
zó kostbaar.
Zó waardevol en geliefd…