(Hoe) is God aanwezig in ons lijden?

Terwijl Hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit.
Luc. 9:29

Here, maak mij uwe wegen door uw Woord en Geest bekend
Psalm 25, 2e couplet (nieuwe berijming)

“Jezus stráálde van geluk. Het was misschien wel het gelukkigste moment voor Hem toen hij op de aarde was”. Aldus de voorganger in een dienst ergens in den lande. Een dienst op de tweede zondag van de lijdenstijd, op weg naar Pasen.
Omdat ik geen theoloog ben wil ik voorzichtig zijn met mijn inhoudelijk feedback op de uitspraak van de voorganger. Toch riepen de woorden van deze predikant de nodige vragen in mij op. Dat maakte dat ik zelf ben gaan zoeken; de Bijbel lezend met mijn verstand en met mijn hart. Ik deel graag met je wat ik gevonden heb.

Afgezien nog even over de vraag of Jezus zelf straalde (er staat namelijk dat Zijn gezicht veranderde en Zijn kleren stralend wit werden[1]), zegt het stralen volgens mij niet iets over Zijn gemoedstoestand maar over Zijn geestestoestand. Ik denk dat de biddende Jezus straalde omdat Hij vol was van de Geest. Het stralen van mensen komt vaker voor in de Bijbel. Zoals Mozes gezicht straalde toen hij met de Heer gesproken had[2]. Of zoals het gezicht van Stefanus, vol van de Geest, straalde als dat van een engel[3]. Stefanus straalde vol van de Geest, op het moment van zijn ergste lijden met de dood voor ogen. Nee, dat zeg ik niet goed; met Jezus voor ogen![4].

En toen verschenen uit het niets ineens Mozes en Elia aan Jezus. Ook zij beiden straalden. Mozes en Elia, twee mensen uit het eerste verbond. Het zijn niet zomaar twee willekeurige mensen die bij Jezus stonden. Het zijn zo ongeveer de twee grootste geloofsmannen uit het Eerste Verbond. Mozes staat symbool voor het Woord van God [5] . Mozes gaf de Tien Woorden van God door aan het volk. Elia staat symbool voor Gods Geest en kracht [6] .

De belangrijkste reden waarom Jezus niet kon stralen vanwege een intens gelukkig gevoel zit hem volgens mij in het gespreksonderwerp. Mozes en Elia spraken met Jezus over Zijn op handen zijnde lijdensweg en martelgang. Letterlijk staat er dat ze met Hem spraken over zijn ‘exodus’, Zijn uittocht uit het leven. Toch niet een onderwerp om je de gelukkigste man op aarde te kunnen noemen, lijkt me.
Juist op het moment dat Jezus er nadrukkelijk bij bepaald wordt wat Hem aan lijden te wachten staat wordt Hij omringt door Woord (in de persoon van Mozes) en door Kracht van de Geest (in de persoon van Elia). In het ergste lijden is God de Vader Zijn Zoon nabij.

(Photo by Alicia Quan on Unsplash)

Wat ik na overdenking van dit Bijbelgedeelte zie is dat God op dezelfde manier met ons wil zijn. In ons lijden, in onze strijd, in onze moeizame wegen door het leven, omhult God ons met zijn Woord en Geest. Hij wil ons er mee omringen en ons er mee vullen. Misschien door Woorden en de Geest in ons te leggen. Hij kan immers onze harten en gedachten bewaken[7]. Of misschien in de aanwezigheid van andere mensen en door gesprekken die we met ze hebben. Het getuigt van Zijn zorg en liefde voor ons. In alles wat ons kan overkomen blijft God zonder ophouden tegen ons zeggen, zoals Hij ook tegen Zijn Zoon zei: “Je bent Mijn zoon, je bent Mijn dochter; ik houd van je! Ik laat je niet los”.

Soms is God voor mij de Grote Onzichtbare en merk ik in mijn tijden van zorg en lijden niets van Hem. Maar meer dan eens mag ik weten dat Hij er is, al zie ik dat vaker achteraf dan in het moment zelf. Door Bijbelteksten of liederen die in me opkomen. Door herinneringen aan preken of lezingen. Door woorden die ik ’toevallig’ op dat moment hoor, lees of die anderen specifiek tot mij spreken. Dát doet mij leven, dát doet mij ‘stralen’.
Zoals Kinga Ban / Sela het treffend heeft verwoord: “Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan”.


[1] In vers 32 wordt ook gesproken over de ´luister´ die Jezus omgaf. Het woord ‘luister’ wordt omschreven als grootsheid, aanwezigheid van God, heiligheid, majesteit, verhevenheid, nabijheid.

[2] Ex. 34:29-35

[3] Hand. 6:5, 15

[4] Hand. 7:55-60

[5] Ex. 20

[6] Luc. 1:16-17

[7] Filp. 4:7

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.