Matroesjka / Ik zie God in jou

Ik zie goud in jou.
Want ik zie God door jou.

Gerald Troost

Je kent ze wel: die matroesjka-poppetjes. Een houten poppetje waarin meerdere poppetjes ‘verborgen’ zitten. Het zijn allemaal verschillende delen van een en hetzelfde poppetje, met steeds weer een iets ander ‘gezicht’. Net als bij ons, mensen. Aan de hand van zo’n Matroesjka wil ik laten zien hoe ik aan mijn cliënten uitleg geef over de verschillende lagen in ons. En hoe bepaalde processen in ons werken. Geen diepe psychologische wetenschap, wel praktisch en inzichtgevend.

De mens kijkt naar het uiterlijk[1]
Het eerste poppetje is als het ware je ‘buitenkant’. Het is in de regel de veilige kant van jezelf, je comfortzone, dat wat je makkelijk laat zien zien aan anderen. Je laat jezelf zien middels de dagelijkse gesprekjes die je aanknoopt met mensen. Het is hoe jij jezelf laat zien op je werk. Het zijn je routines. Het is in de regel écht iets van jou, je handelt op een voor jouw specifieke manier maar tegelijkertijd is het ook je buitenkant. Met deze (buiten)kant laat je niet zo snel de ander zien wat er dieper vanbinnen in je leeft. Soms kan die buitenkant daarom ook een schijn zijn die je ophoudt, een soort masker dat je draagt. Om je beter voor te doen dan jij je daadwerkelijk voelt. Om iets kwetsbaars in je te beschermen. Dan ziet de ander niet wat er ‘vanbinnen’ in je leeft.
Wij ontmoeten in ons leven heel veel mensen. Van de meesten zien we alleen ‘de buitenkant’. En vaak vinden we daar ook nog iets van. Ook anderen beoordelen ons al heel snel op onze ‘buitenkant’ en op de eerste indruk.  Veel meningen over iemand worden gevormd zonder dat er dieper contact is gemaakt met de ander. Zonder zich echt in de ander te verdiepen.

Ze vormden met elkaar een gemeenschap[2]
In dat eerste poppetje zit een tweede poppetje. Dat is als het ware dat deel in jezelf dat je niet zomaar met iedereen deelt. Je laat het hooguit zien aan je beste vrienden/vriendinnen/partner of je nabije familie. Je deelt wat hierin leeft met de mensen die dichterbij mogen komen. Daarmee deel jij je hart, je zorgen, je twijfels, je vragen. Met deze mensen heb je een diepere band. Hier zit je kwetsbare IK. Het is meestal wat spannend om je vanuit deze tweede laag naar de ander te openen. Echter, niet iedereen hoeft ook deze kant van je te zien. Je hoeft zeker niet alle diepere persoonlijke dingen met iedereen te delen. Dat deed Jezus ook niet[3]. Jij bepaalt wie je daar toelaat, met wie je jouw diepere gedachten en gevoelens deelt en met wie niet. Alleen degenen die veilig en betrouwbaar voor je zijn laat je daar toe en mogen daar komen.
De meeste mensen kunnen redelijk makkelijk switchen tussen het eerste en het tweede poppetje. Anderen zal het wat meer moeite kosten.

Er is geen mens die nog het goede doet, er is er zelfs niet één[4]
Weer een laagje dieper komen we bij het volgende poppetje aan. Iedereen heeft ook een soort verborgen kant in zich, een schaduwkant. Een deel waar je zelf waarschijnlijk niet graag bij wilt komen. Daar waar je schaamte zit, je fouten, je tekortkomingen, je zonden, je angsten, je schuld, je pijn, je in het leven opgelopen schade. Het is datgene wat diep in je zit, waar je het liefst van wegblijft en achter hoge dikke muren stopt. Je wilt niet dat het er is en toch draag je het in je mee.
Iedereen heeft deze kant in zich; niemand uitgezonderd. Het lijden en onze zonden zijn onlosmakelijk verbonden met het leven, in welke vorm dan ook. We hebben de neiging om daar voor weg te lopen of eromheen te gaan. Dat deel openen naar buiten toe? “Mij niet gezien”[5]. Dat wat daar in het verborgene zit wil je bij voorkeur niet delen, dat verstop je liever. Het is vaak ook een eenzaam stuk in je. Anderen kunnen daar ook niet echt ten volle bijkomen, ook al zou je dat willen. Meestal zit je daar in een isolement. Het is daar donker. Wat daar in de diepte leeft komt niet gauw ‘aan het licht’. Dat is soms ondragelijk. De last, de pijn en de moeite om het diep opgesloten te houden lijkt vaak makkelijker dan het te openen. En tegelijkertijd zit je er ook in vast. Muurvast.

Jullie moeten nu gaan leven als nieuwe mensen. Want jullie zijn van binnen veranderd[6]
Het donkere deel in ons kan heel diep weggestopt zitten. We hebben er soms amper weet van omdat het niet meer in onze herinnering zit. En toch kan het onbewust ons gedrag bepalen. Doordat we ons laten leiden door onze angsten, onzekerheden, pijnen en noem maar op. We vermijden de kwetsbaarheid en proberen het te compenseren, ons beter voor te doen dan we zijn, door ons aan te passen, onze grenzen of die van anderen niet te respecteren. We verliezen het contact met wie we werkelijk zijn. We verliezen daarmee ook het diepere contact dat we kunnen hebben met anderen en met God. We leven dan niet meer zoals God ons bedoeld heeft.

We zullen ons lijden, onze kwetsbaarheid, onze zwakheid moeten aangaan. We zullen het onder ogen moeten zien omdat ze op de achtergrond mede bepalen hoe we in het leven staan. Dat is vaak een moeilijke en spannende weg. Maar het is gelukkig geen weg die we alleen moeten gaan.
Het is mijn overtuiging dat Jezus hierin ons twee dingen heeft duidelijk gemaakt. Allereerst is Hij voor mij het voorbeeld van hoe je met je lijden kan omgaan. Door je eigen lijden aan te gaan en er niet voor weg te lopen[7]. En dat je naast de ander gaat staan in zijn lijden.

Ten tweede omdat Hij zelf met Zijn Geest ons van binnenuit wil veranderen. Ik vind die passage in het boek Zacharia 3 zo indrukwekkend. De hogepriester Jozua wordt door de satan aangeklaagd bij God als een stuk zwartgeblakerd hout. Daar staat hij dan, in zijn vuile kleren. En wat zegt God: Hierbij reinig ik je van alle schuld en kleed ik je in een feestelijk gewaad.[8] 

Het rode poppetje staat voor Gods Geest, die in ons wil wonen. De Geest die pas in ons allemaal kwam nadat God Zijn Geest, die ook op Jezus neerdaalde, op het Pinksterfeest over ons had uitgestort. Rood, het is de kleur van het lijden. Rood is ook de kleur van het bloed van Jezus, het bloed dat reinigt, verlossing en bevrijding geeft.

In de brief aan de Romeinen zegt Paulus “Gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet telt.”[9] Er staat niet dat de mens geen zonden heeft. Die zijn er wél, God ziet deze ook maar Hij rekent ze niet mee. Verderop in diezelfde brief schrijft Paulus dat niets ons kan scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Jezus. Ook de donkere dieptepunten van ons leven niet. Nergens worden die dieptepunten ontkend; ze zijn er in het leven van ons allemaal. Ik ben er zeker van dat God juist met dat donkere deel in ons contact wil maken. Hij weet allang wat daar vanbinnen zit. Hij wil daar naartoe; niet om ons te veroordelen of te straffen, maar om ons te genezen, reinigen, bevrijden, helen, te redden. Niet dat dit deel dan uit ons weg is, maar dat het donkere deel in ons, ons niet meer in negatieve zin beïnvloed of in de weg staat om vrijuit te leven. God wist onze geschiedenis niet uit.[10] Hij wil graag dat we vrij zijn van de last die onze schaduwkant met zich mee brengt. God kan met Zijn Geest als het ware in dat zwarte poppetje van mij gaan zitten. Van binnenuit wil Hij me veranderen. Hij wil mijn hart en mijn geest veranderen.

Alles wat in het zwarte poppetje zit of wat er voor staat, dat mag (nee, móet) aan het Licht worden gebracht. Alleen als ik mijn donkere kant in relatie breng met Jezus, het Licht van de wereld, dan kan ik veranderen, alleen dan kan ik het proces doorgaan en doorstaan van genezing van de opgelopen schade en oude pijnen.
Dan kan ik weer stappen zetten om meer ‘heel’, één te worden. Dan is er geen ‘verdeeldheid’ in me maar er is weer meer eenheid in mezelf. Ik omarm dat er een schadedeel in me zit maar ik hoef me er niet meer door te laten leiden.

Mijn zwakheid is onlosmakelijk met dit aardse leven verbonden[11]. Ik hoef mijn zwarte poppetje niet meer diep weg te stoppen en ervoor weg te kijken. Nee, ik draag deze onvermijdelijk met me mee. Maar ik weet ook, zoals Paulus het als een rotsvast statement verwoord: Zijn genade is voor mij en voor ons allemaal genoeg[12]. Dat kan alleen als ik die zwakheid van me wil zien en wil aangaan. Dat ik Gods genade, liefde en waarheid durf aan te nemen. Mij durf te laten aanraken en Zijn genezende handen op mijn zwakke en zwarte plekken durf te laten leggen. Alsof ik dat letterlijk voel en zie gebeuren.

In feite is dit ook wat er hoofdzakelijk in de therapie gebeurt. Na de eerste verkenningen gaan we ‘de diepte in’. Wat speelt daar, wat kunnen we openen, wat kan er worden uitgesproken wat nog niet is uitgesproken?[13] Wat mag er geuit worden wat nog niet gekend is en geuit is?

Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol [14]
Het poppetje het diepst in ons heeft de kleur goud. Omdat goud de kleur van God is. Kijk maar naar de tempel, de plaats waar de God van Israël woonde. Alle voorwerpen in het Heilige en in het Heilige der Heilige waren van goud. Jij mag nu die tempel zijn waar Hij in woont[15]. In de kern ben je goud waard voor God. Omdat Hij je geschapen heeft. En alles wat Hij geschapen heeft is per definitie kostbaar voor Hem. Hij geeft zo ontzettend veel om je. Hoe je leven ook wat er allemaal gebeurt, hoe jij over jezelf denkt of wat anderen ook over je zeggen.

Alle feiten die ‘tegen’ je zouden kunnen getuigen, kunnen niet op tegen die machtige waarheid gesproken uit Zijn mond met de krachtige woorden: Je bent mijn geliefd kind; Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij [16].

[1] 1Sam. 16:7

[2] Hand. 2:42

[3] Zie o.a. bij Jezus in Getsemane

[4] Rom. 3:10-12

[5] Een vervolg op dit stukje is te vinden bij Mij niet gezien

[6] Efz. 4:22-23 BGT

[7] Zie o.a. bij Jezus in Getsemane

[8] Zach. 3:1-4

[9] Rom. 4:8

[10] Zie ook bij Het dragen van je geschiedenis

[11] 1 Joh. 1:8

[12] 2 Kor. 12:9

[13] Zie ook bij Onmogelijke gedachten

[14] Jes. 43:4

[15] 1 Kor. 6:19

[16] Jes. 43:1

Een vervolg op dit stukje is te vinden bij Mij niet gezien