De kunst van het luisteren

Job en zijn vrienden

‘Listen’ and ‘Silent’ are spelled with the same letters

Een pastoraal gesprek dient vooral gevoerd te worden met het oor
Rikkert Zuiderveld

Je verhaal en je gevoelens delen met de ander is geen eenvoudige opgave. Naar het verhaal van een ander luisteren is ook een kunst. Je kan met goed luisteren aansluiten op wat er in de ander leeft. Maar met niet goed luisteren kan je het contact breken. Ik wil dat toelichten aan de hand van een ‘pastorale ontmoeting’ die in de Bijbel staat; de ontmoeting tussen Job en zijn vrienden zoals dat beschreven staat in het Bijbelboek Job.

De situatie van Job is ronduit dramatisch. Hij is alles kwijt geraakt: al zijn bezittingen, al zijn kinderen, hij is zijn gezondheid kwijt en zijn huwelijk belandt vervolgens in een diepe crisis. De vrouw met wie hij eigenlijk één had moeten zijn maakt hem harde verwijten. In al zijn rampspoed voelt Job zich hoogstwaarschijnlijk intens eenzaam en volledig onbegrepen. Dan komt voor Job de steun uit onverwachte hoek; van drie vrienden die ver weg wonen. Een ervaring die velen van ons kennen. Van de mensen van wie je het hoopt, verwacht en verlangt blijft de hulp uit. Maar van mensen die misschien verder weg van je lijken te staan komt wel ineens de zo gewenste troost. Dat mag voor ons al een ‘hint’ zijn. Al ken je iemand niet zo goed, al sta je wat verder weg van iemand; schroom niet om iets van je te laten blijken wanneer iemand in de problemen zit. Belangstelling en betrokkenheid worden eigenlijk altijd op prijs gesteld.

Het eerste wat me opvalt, nadat Job in een diepe crisis is geraakt, is dat zijn vrienden naar hem toe komen. Daarvoor ondernemen ze alle drie een flinke reis. Als iemand in nood zit werkt het heel bemoedigend dat jij naar de ander toe gaat. Vaak zeggen we dat de ander wel contact met jou mag opnemen als deze daar behoefte aan heeft. Karin Kuiper, die in de jaren 90 plotseling haar man Karel Glastra van Loon verloor (als auteur was hij een bekende Nederlander), heeft een indringend mooi boekje geschreven over de hulp die ze aangeboden kreeg van haar naasten in de maanden na het overlijden van haar man. De titel van haar boek is een zin die we waarschijnlijk allemaal wel eens in de mond genomen hebben: “Je mag me altijd bellen …”. Echter; het ontbrak haar aan de kracht en de moed om de telefoon te pakken of zelf naar iemand toe te gaan om de aangeboden hulp te ‘halen’.
Jobs vrienden tonen uit zichzelf de betrokkenheid. Met hun bekommering om hun vriend in nood tonen ze eveneens eerbied voor de Ontzagwekkende. Jezus herhaalt vele jaren later dezelfde boodschap in andere woorden: “En de koning zal hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” (Mat. 25:40).

Of de drie vrienden los van elkaar het plan hebben opgevat om naar Job te gaan of dat ze elkaar vooraf op de hoogte hebben gesteld is me niet duidelijk. Wat ik wel lees is dat ze elkaar onderweg ontmoeten en samen verder reizen naar Job toe. Daarin ligt nog een therapeutische/pastorale handreiking verscholen. Bundel de krachten, benut de talenten en Geestesgaven van een ieder en trek samen op als iemand in nood zit. Probeer de zaken niet alleen op te lossen. Trek samen op met een predikant, kerkelijk werker, mensen uit de kring, buren of wie dan ook.

De drie vrienden hebben ook een gemeenschappelijk doel: hun medeleven betonen en het bieden van troost. Meer hoeft ook niet. Dat is de meest belangrijke reden om op pad te gaan: steun en troost. Niet met opgestroopte mouwen eropaf en helpen problemen op te lossen; maar alleen er voor de ander zíjn. Ze doen nog iets wat ik heel opvallend vind. Wanneer ze bij Job aankomen schrikken ze hevig, ze huilen luid, ze tonen door het scheuren van hun kleding hun droefheid. Met deze woordeloze handeling laten ze blijken hoe sterk ze met Job meeleven. Het geeft Job erkenning voor zijn lijden en zo ontvangt hij ‘mede-leven’. In deze gebaren wordt het grote verdriet van Job gezien. Ook dat is een belangrijk onderdeel van de therapie en het pastoraat. Het leed wordt gezien en erkend.

En aansluitend daarop zie ik een volgend belangrijk aspect. Als de vrienden bij Job komen gaan ze naast hem op de grond zitten en zeggen verder niets; helemaal niets. Ze zitten alleen maar bij Job. Zeven dagen lang. Er kan ook niet gesproken worden. Het leed van Job is groot, misschien wel te groot om in woorden te vatten. In het begin zijn er gewoon geen woorden voor het leed van de ander. Je hoeft er alleen maar voor de ander te zijn. Verder niets. Er komt vanzelf wel een moment dat er woorden gaan stromen. Immers, er is een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.

Na 7 dagen en 7 nachten begint Job te praten. Zoals elders op deze site ook is geschreven: het getal 7 heeft niet alleen een numerieke waarde; 7 is het getal van de volheid [1]. Er is nu door Job en zijn vrienden genoeg gezwegen. Er breekt een volgende fase aan in het pastorale gesprek. De 8e dag in de ontmoeting van Job en zijn vrienden. Het getal 8 in de Bijbel staat voor iets nieuws, een nieuwe cyclus. Er breekt een nieuw moment aan in de ontmoeting. Als jij laat zien dat je er voor de ander bent dan begint de noodlijdende uiteindelijk te spreken. De benodigde tijd van het zwijgen is voorbij, vervuld. In Job 3 uit Job zijn leed in heel heftige woorden. Dat Job begint met praten en niet een van zijn drie vrienden als eerste het woord neemt, is een detail waar we niet zomaar overheen mogen stappen. Het is degene in nood die zal gaan praten op het moment dat de tijd daar rijp voor is. De ander hoeft er alleen maar te zijn. Niet meer en niet minder, hooguit een bemoediging gevend om de ander uit te nodigen te gaan spreken.

Nadat Job gaat spreken volgt er een spannende en heel belangrijke volgende fase in het gesprek. Hoe gaan de vrienden reageren op dit bittere verhaal? Mijn inschatting is dat het hier heel passend was geweest om opnieuw een stilte te laten vallen. Zodat de vrienden Jobs verhaal op zich in kunnen laten werken. Dat Job de tijd krijgt om weer te ‘landen’, zichzelf weer te hervinden na zijn emotionele uitbarsting. Stiltes kunnen soms heel moeilijk zijn. Tijdens het spreken kan je continu polsen waar de ander staat en krijg je een indruk hoe het met de ander is. In momenten van stilte is het veel lastiger om daar hoogte van te krijgen. Ik vind stiltes in gesprekken met name lastig als ik me ga afvragen of ik met de stilte nog wel bij de ander aansluit of dat ik in de stilte niet geleidelijk aan het contact met de ander verlies. Wat ik ook soms moeilijk vind aan stiltes is om er alleen maar ‘te zijn’. Diep in mij zit het verlangen om te kijken of ik voor de ander ‘iets kan doen’. Het grote risico daarvan is om door het nemen van eigen initiatieven niet meer aan te sluiten op de behoefte van de ander.

Het gaat daarna tussen Job en zijn vrienden al heel snel mis. In Job 4:2 vraagt Elifaz nog wel beleefd aan Job of hij ruimte heeft om een reactie te kunnen ontvangen. Maar Elifaz is zo ongeduldig en zit zo vol met zijn eigen ideeën dat hij Jobs antwoord niet eens afwacht. Niet in stilte Jobs verhaal ontvangen en op zich in laten werken, geen bemoediging, geen bevestiging richting Job over het grote leed dat hij droeg. Nee, er moest gesproken worden. Na slechts twee zinnen met een paar complimenten aan Job wat hij in vroegere jaren aan goeds heeft betekend voor anderen komt het keiharde oordeel: “Maar nu word jij beproefd, en je verliest de moed, nu treft jou het onheil en je geeft het op”. De toon is gezet. Daarna volgt er een stortvloed van meningen, oordelen, visies, theologische verantwoordingen en noem maar op. Van het oorspronkelijke voornemen van Elifaz om Job te troosten en medeleven te betonen komt niets meer terecht.
Het risico van het geven van een mening en/of oordelen is dat er iets gezegd wordt wat de ander allang weet (Job 12:1-3 en 13:2a). Maar Job kan er op dat moment helemaal niets mee. Het sluit totaal niet aan op waar hij mee zit. De grote misser van Elifaz is dat hij inhoudelijk op Jobs verhaal ingaat terwijl de lading van Jobs relaas vooral een emotionele is terwijl Job alleen behoefte heeft aan nabijheid.

Als deze misstap in een gesprek eenmaal gemaakt is dan moet je van goede huize komen om dat weer recht te trekken en weer aan te sluiten op daar waar het de noodlijdende in eerste instantie om gaat.

Verwijten geven altijd verwijdering. Verwijten en oordelen vormen altijd belemmeringen in het affectieve deel van de onderlinge relatie (Job 6:25). Oordelen leiden tot een negatieve, neerwaartse spiraal in het gesprek. De woorden van Jobs vrienden worden in de loop van het gesprek harder en harder. De woorden bereiken Job allang niet meer. Job zit op een heel ander level dan zijn vrienden.

Het enige waar de noodlijdende behoefte aan heeft is een luisterend oor (Job 6:28a). Daar smeekt Job ook om (Job 31:35). Een luisterend oor geeft troost (Job 21:2). Job moet zijn héle verhaal kwijt (Job 7:11) en hij vraagt zijn vrienden om geduld te hebben om naar dat hele verhaal te luisteren (Job 21:3a).

Er valt me nog iets op. Je kan in dit Bijbelboek ook zonder de hoofdstukindeling-met-opschrift vrijwel exact zien wie er spreekt: Job óf een van zijn vrienden. Het grote verschil: Job spreekt vooral in de ik-vorm (‘hij houdt het bij zichzelf’ zeggen we dan), terwijl zijn vrienden nagenoeg altijd in de jij-vorm spreken (‘ze leggen het bij de ander neer’). Bij het spreken in de ‘jij-vorm’ kan je de noodlijdende nog meer belasten, nog meer onder druk zetten, nog meer pijn doen.

Hoe ben je er voor de ander? Mijn valkuil is dat ik vaak de neiging heb om ‘te doen’ in plaats van ‘te zijn’.

Luisteren is:
er voor de ander zijn,
aansluiten op de behoefte van de ander,
niet gedreven worden door je eigen verhaal.

[1] Bron: https://www.oudesporen.nl/Download/OS0975.pdf