De oorsprong van het verbonden-zijn

In Genesis 1 en 2 lezen we het scheppingsverhaal, in twee verschillende versies. God heeft de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is. Na iedere scheppingsdag zegt Hij dat het goed is. Zeven keer staat er dat het goed is wat Hij geschapen heeft. Zeven is een getal dat in de Bijbel niet alleen een numerieke waarde heeft maar ook een symbolische waarde. Het is het getal van de volheid, de compleetheid, de volmaaktheid. Het is ondenkbaar dat God iets geschapen heeft dat niet goed zou zijn. En toch… het was niet goed. In Genesis 2:18-20 staat: “Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.[1] Toen vormde God uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste”.

Je kan je pas met iemand verbinden, met iemand in relatie zijn als het met iemand is die bij je past. Dat kan zijn met iemand in wie jij jezelf herkent, als met iemand die jou (her-)kent. Iemand met wie je raakvlakken hebt. Het kan ook iemand zijn die aanvullend is op jou. Dat de ander een kwaliteit heeft die jij niet hebt. Een kwaliteit dat je samen in de verbinding krachtiger maakt.
Adam had een relatie met God. Maar God is geen mens en Adam is geen God. Adam vindt in God niet zijn gelijke. Adam herkent zich ook niet in de tienduizenden, misschien wel honderdduizenden dieren die aan hem voorbij trekken. Hij ziet zich niet gekend door de andere wezens en hij ziet niemand die voor hem passend is, iemand die hem kan bijstaan. Totdat God Eva bij hem brengt. De Herziene Statenvertaling vertaalt het met de woorden dat God voor de mens een helper zal maken “als iemand tegenover hem”. Daarmee wordt krachtig uitgedrukt dat de man niet hetzelfde is als de vrouw en omgekeerd. Het zijn twee verschillende individuen die naar elkaar toegekeerd staan om zo elkaars ‘aangezicht’ te kunnen zien. Ze kunnen elkaar in de ogen kijken, ze zijn voor elkaar van toegevoegde waarde, ze kunnen elkaar compleet maken door aanvullend te zijn. Adam is geen Eva maar Adam heeft Eva wel nodig om Adam te kunnen zijn. In Eva herkent hij zijn gelijke. Hij roept het uit van vreugde: “Eindelijk een aan mij gelijk”. Deze intense uitroep van blijdschap is de eerste keer dat de mens aan het woord is.
De relatie is ALTIJD gebaseerd op gelijkwaardigheid, hoewel de onderlinge kwaliteiten en eigenheid verschillend zijn. Twee mensen met een eigen identiteit, die hun eigenheid mogen behouden in hun onderlinge verbondenheid. Dat behoud van de eigenheid is een absolute voorwaarde om in de verbinding te kunnen zijn en te blijven. Hoewel dit Bijbelgedeelte uitloopt op de bijzondere relatie tussen man en vrouw, is de uitwerking hiervan ook in een bredere context te plaatsen; de gemeenschap van de heiligen, het als mensen samen met elkaar leven.

God ziet dat de mens het alleen niet redt. Ik zie zoveel cliënten die vastgelopen zijn omdat ze de grote denkfout maken ‘de problemen alleen aan te moeten kunnen en het zelf moeten zien te redden’. Dat is volgens mij geen Bijbels uitgangspunt. God geeft ons aan elkaar om elkaar tot een helper te zijn. De ‘helper’, de ene mens, mag de andere mens naar vermogen helpen. En Jezus belooft ons de Trooster, de Helper; de Heilige Geest om ons tot helper te zijn.

Dat God heel veel waarde hecht aan een goede onderlinge relatie met onze naaste zie ik terug in Mattheus 5:23-24: “Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen.”  De relatie moet goed zijn, voor zover het binnen jouw mogelijkheden ligt. Anders kán je God niet eens een offer brengen, in welke vorm dan ook. Eérst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken…

De vrouw ‘als tegenover’ bij de man, en omgekeerd. We zijn in vrijheid met elkaar verbonden. Het gaat niet alleen om het IK, het gaat om het WIJ. Waarbij ik onder ‘wij’ versta: God, de ander en jij.

Ik zeg vaak tegen mijn cliënten dat de therapie geen ik-gerichte therapie is. De cliënt is in therapie, die staat op dat moment centraal maar het grotere doel is dat het gaat om de cliënt in relatie tot God en tot de ander. Wie ben jij in die relaties, hoe sta je daar in en hoe kom jij in die relaties tot je recht. Wij zijn verbonden met elkaar en nooit in een slaafse onderdanigheid gebonden aan elkaar. Kan je met jouw zijn het beste in de ander naar boven halen?

Het samen één zijn is de ultieme verbondenheid van de mens. Ieder mens komt in relatie met een ander tot uitdrukking. Zoals ik ooit eens de uitdrukking las: Geen IK is MENS zonder een JIJ.

[1] “Een helper die bij hem past”. De uitdrukking ‘die bij hem past’ uit Gen. 2:18 betekent in het Hebreeuws letterlijk ‘als zijn tegenbeeld’. ‘Helper’ moet dus niet opgevat worden als ‘ondergeschikt’. Het gaat om complementariteit: de twee vullen elkaar aan.
Bron: NBV- studie-aantekeningen