Zelfvertrouwen

Allemaal denken we wel eens na over de staat van ons zelfvertrouwen. De een vindt dat hij veel zelfvertrouwen heeft, de ander zegt het juist weinig te hebben. Soms voel ik me sterk, soms kan ik onzeker zijn over iets in mezelf of me onzeker voelen ten opzichte van de ander.

Zelfvertrouwen wordt vaak gerelateerd aan vertrouwen hebben in jezelf, aan je geloof in je eigen kracht en kunnen. We zeggen dat iemand veel zelfvertrouwen heeft als hij goed voor zichzelf kan opkomen en weet waarvoor hij staat. De mate van zelfvertrouwen zegt dan iets over hoe zeker we van onszelf zijn in een bepaalde situatie. De omstandigheden bepalen daarmee de mate waarin we ons zeker voelen of niet. Omdat we niet willen falen, niet kwetsbaar willen zijn, niet door de mand willen vallen, ons niet willen laten zien… Dus: Zelfvertrouwen hangt daarmee blijkbaar af van factoren buiten jezelf.

Ik wil het begrip ‘zelfvertrouwen’ graag op een andere manier benaderen en de focus leggen op de ‘binnenwereld’. Zelfvertrouwen heeft alles met jezelf te maken. Let maar op het woord. Ik ontbind dat woord in lettergrepen. Dat ziet er zo uit: zelfvertrouwen. In dat volledige woord zit het woord zelf-trouw verborgen. Het trouw zijn aan jezelf. Durf je in alle omstandigheden trouw te zijn aan jezelf: aan wat je denkt en wat je voelt, aan waar je voor staat. Durf je jouw gevoelens te onderkennen en toe te laten? Durf je dat wat je denkt en voelt te delen in het contact met de ander? Hoe meer je dat doet, hoe sterker je zelfvertrouwen wordt. Dan sta je veel meer toe jezelf te zijn, in welke situatie je ook bent. Zelfvertrouwen gaat niet over een bepaalde kracht in je maar over het bij jezelf kunnen zijn en blijven. Zo zie ik ook het leven van Jezus en de vervulling van Zijn taken hier op aarde. Hij was steeds op zoek naar de ander maar verloor zichzelf daarin niet.[1]

Toch is het niet rigide, het is niet op jezelf gericht, het gaat niet alleen om jezelf. Er blijft een actief zoeken naar verbinding met de ander. Er zit namelijk nóg een woordje verborgen in zelfvertrouwenveren. Het actief mee kunnen bewegen met de ander en met de omstandigheden. Het is de afstemming tussen je ‘binnenwereld’ en de ‘buitenwereld’, het zoeken naar de verbinding met de ander en tegelijkertijd het behouden van je eigenheid. Hoe kan je ruimte geven aan de ander zodat deze met zijn eigenheid en verlangens tot zijn recht komt maar dat je tegelijkertijd jezelf niet verliest en goed bij jezelf blijft.

Zelfvertrouwen: het trouw zijn aan jezelf en meebewegen om in de verbinding te blijven met de ander. Het kan vragen om een offer van je. Een offer waarvoor je vrijwillig kan kiezen om de ander tegemoet te komen in iets waar je zelf niet voor zou kiezen. Zie hoe Paulus ons daartoe oproept [2]. Paulus beweegt mee, zonder dat hij gebukt gaat onder het juk van een ‘moeten’.  Hij doet het niet vanuit een slaafse onderdanigheid. Het is een geheel weloverwogen keuze, een verlangen vanuit zijn hart, waaraan hij trouw is gebleven.

Zelfvertrouwen heeft voor mij ook te maken met het aanvaarden van jezelf in alle facetten. Als je trouw wilt zijn aan jezelf, dan erken je de aanwezigheid in je van je goede kanten maar ook je donkere kanten. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met je en niet te ontkennen. Goed met jezelf omgaan is de aanvaarding van je onvolkomenheden en je kwetsbaarheden zonder jezelf er op af te rekenen. Zelfvertrouwen heeft daarmee veel meer te maken ‘geloof in mogen zijn’ dan met ‘geloof in eigen kunnen’.

 

 

[1] vgl. 2 Tim. 2:13
[2] zie o.a. Rom. 15; 1 Kor. 9:20-23; 1 Kor. 10:31-33; Hand. 15:1-21; Hand. 16:3