Weinig licht en smerig

“Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven”
Mat. 12:20

Ik lees veel in de Bijbel. Ik wil zo steeds meer van God weten, steeds meer kennis van Hem hebben[1]. Echter, kennis hebben van God, weet hebben van Hem betekent voor mij nog niet dat ik God écht in Zijn wezen ken. Soms is mijn lezen te beschouwend, bestuderend. Ik blijf dan in zekere zin op een afstand.

Heel veel van wat in de Bijbel staat gaat ook over mij, zegt God ook tegen mij. Gods woorden zijn woorden van leven. Het is mijn verlangen dat het Woord van Hem levend wordt in mij en door mij. Zijn woorden zijn niet alleen woorden die mij rust geven en bemoedigen. De Bijbel confronteert me ook. Bij het lezen van Mat. 12:20 (Jezus citeert hier uit Jes. 42:3) had ik plotseling zo’n schok. Ineens zie ik dan iets waar ik al jaren overheen gelezen heb omdat ik woorden steeds gelezen heb vanuit een bepaalde aanname. Het gedeelte over de walmende vlaspit bijvoorbeeld als symbool voor het zwakke, de krachteloze, het kwetsbare. Maar ineens ‘zag’ ik iets anders in de smeulende en rokende vlaspit; het geeft weinig licht en produceert veel viezigheid. Dat gaat over mij; dat ben ik ook!
Ik herken me meer dan eens in die walmende vlaspit. Dan ben ik de functie van ‘lichtbron zijn’ verloren. Het zit hem bij mij vaak in de kleine dingen. Ik kan soms eigenwijs zijn, impulsief, ongeduldig, van binnen boosheid voelen en dat bij me houden of er juist heel onhandig uitgooien, meer gericht zijn op mijn eigen belang en dat van de ander uit het oog verliezen, net niet helemaal de waarheid spreken om er zo zelf beter uit te komen, me subtiel onttrekken aan dingen waar ik geen zin in heb en dat ik meer gericht ben op mezelf dan op de ander. Gedachten hebben die het daglicht niet kunnen verdragen, verlangens die niet zuiver zijn, woorden die ik beter niet had kunnen uitspreken. Ik kan soms jaloers zijn op anderen die datgene wel hebben wat ik niet heb maar zó graag zou willen hebben. Soms in stilte oordelend over de ander. Ik ben meer dan eens een walmende vlaspit. Ik kan daar heel erg van balen en zit mezelf daarmee meer dan eens in de weg. Dat is overigens niet continu zo. Soms brandt de vlam wel volop. Voel ik me gedragen, gezegend en mag ik tot zegen zijn. En soms straal ik heel weinig licht uit en produceer ik meer onreinheid.

Daar waar het donker en smerig is, een duistere steeg in een verpauperde woonwijk bijvoorbeeld; wie wil daar zijn? Ik niet, ik ga daar snel van weg. En God? De grote Almachtige, heilig en rein; zou Hij daar dan wel willen zijn? JA! Hij zoekt het zelfs op. Niet omdat Hij het duister lief heeft maar omdat Hij er licht wil brengen. Hij kent de donkere uithoeken van mijn hart; Hij wil juist daar zijn om mijn hart te herscheppen, om mijn leven te vernieuwen.

Een walmende vlaspit van een kaars. Het is kansloos dat deze uit zichzelf opnieuw gaat branden. Daar is ingrijpen van buitenaf voor nodig. Je moet twee dingen doen; het oude, niet bruikbare stuk eraf knippen en er nieuw leven in blazen. En dat is precies wat God doet: “Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt ​snoeit​ hij bij, opdat hij meer vruchten draagt” (Joh. 15:2). Het woord dat in de grondtekst voor snoeien staat is “reinigen”. Daarom zoekt Hij mij op, daarom zoekt Hij jou op; om ons te reinigen. Met Zijn Geest, met Zijn adem, blaast Hij vervolgens nieuw leven in mij (Job 33:4) zodat het vuur weer gaat branden, de vlam weer zichtbaar wordt en ik opnieuw mijn licht mag laten schijnen.

Een walmende vlaspit, ja dat ben ik soms. Maar in Christus ben ik meer, veel meer. In Hem ben ik een kind van God, een vriend van Jezus, gerechtvaardigd, heilig, een nieuwe schepping, uitgekozen om vrucht te dragen, vrijgemaakt van de wet van de zonde, verzoend met God…

Geprezen zij de Here.
Dag aan dag draagt Hij ons;
die God is ons heil.

Want het geknakte riet verbreekt Hij niet.
Al wat beschadigd is herstelt Hij op den duur.
Wat walmt dat dooft Hij niet,
want Hij kent ons verdriet.
Barmhartig schenkt Hij ons
zijn warmte en zijn vuur.

(Opwekking 411)

  • [1] Het Griekse woord voor kennisis epignosis, wat verwijst naar het soort kennis dat je opdoet door persoonlijke ervaring. Epignosis is dat wat je weet, omdat je het zelf rechtstreeks hebt geproefd en gezien en gevoeld.