Het dragen van je geschiedenis

In het evangelie van Johannes 5:1-18 [1] staat een genezingsverhaal van een man die al jaren verlamd lag op een matras. Wat kunnen wij van die geschiedenis leren als het gaat om hoe we omgaan met onze (geestelijke) pijn?

Jezus is op weg naar een Joods feest in Jeruzalem. Hij komt de stad binnen via de noordelijke Schaapspoort [2], daar waar ook het badhuis Betzata (Bethesda / Betsaïda) staat.
Bij het badhuis ziet Hij, tussen de vele zieke en verlamde mensen, een man op de grond liggen. Jezus, die wist dat deze man al erg lang ziek was, vroeg hem: “Wilt u gezond worden?”. Ik vind dat een bizarre vraag. Dat is toch vragen naar de bekende weg? Die man ligt toch niet voor niets juist bij dit badhuis? Anders had hij net zo goed op een andere plek kunnen gaan liggen. De diepe, stille wens van deze man was toch dat hij ooit weer een keer beter zou worden? Jezus spreekt op deze manier niet alleen de man aan; Jezus ‘speelt ook op de man’. Hij wil weten waar deze man staat in het proces van al zijn moeilijkheden. De vraag, zoals Jezus die stelt, sluit goed aan bij de huidige visie op (gezondheids-)zorg: de cliënt staat centraal. Niet wat de arts vindt of de analyses en suggesties van de therapeut zijn leidend maar de hulpvraag van de persoon-in-problemen vormt het uitgangspunt van de begeleiding. De cliënt moet zich uitspreken. Deze verlamde man geeft een eigenaardig en indirect antwoord. Geen duidelijk ‘ja’ of ‘nee’ maar eerder een verontschuldiging dat hij hier al zolang ligt omdat anderen hem niet de helpende hand bieden. Hij legt de oorzaak van zijn langdurig verblijf in huize Betzata buiten zichzelf. Hij heeft blijkbaar geen vrienden die hem naar het water dragen of hem bij Jezus brengen.

Dat zich verontschuldigen doet niet alleen deze man; je hoort het heel veel mensen doen. Mensen die de ‘schuld’ van hun lijden bij de ander neerleggen. Natuurlijk kan een ander er de oorzaak van zijn dat je leven ingrijpend veranderd is. Echter, je hebt de plicht naar jezelf toe om, ondanks de omstandigheden, zelf je weg in het leven te blijven zoeken. Je moet blijven kijken naar de mogelijkheden die je hebt. Je kunt daarbij de onmisbare hulp van de ander nodig hebben maar je mag de oplossing in eerste instantie niet van de ander verwachten of opeisen.
Jezus geneest hem vervolgens door Zijn woord:Sta op, neem uw matras op en wandel”. Waar ik in dit gedeelte vooral bij blijf haken is bij de opdracht van Jezus; nadat deze man genezen is mag hij gaan staan en het leven ingaan, maar daarbij moet hij zijn matras opnemen, met zich meedragen. Ik kan me voorstellen dat dit voor deze man enige verwarring geeft. Dan ís deze man genezen, kan hij eindelijk na al die jaren van zijn matras af maar moet hij dat vieze smerige ding, vol stof en zand, bevlekt met zweet- en schimmelplekken en wat al niet meer, meenemen. Het meenemen van de matras is volgens mij niet zomaar een terloopse opdracht van Jezus want het woord ‘matras’ komt in de NBV vier keer in dit stuk voor. Eigenlijk vijf maal, want in vers 12 is dit woord weggevallen, behalve in de HSV. Om zo het zelfstandig naamwoord ‘matras’ te benadrukken. Dit woord krijgt hierdoor een sterk accent en daarmee heeft het ook betekenis. Welke betekenis dan? Ik doe een poging.

Dat matras is onlosmakelijk gekoppeld aan zijn geschiedenis van de afgelopen 38 jaar. Het matras herinnert hem aan drie vormen van lijden. Allereerst staat het matras symbool voor zijn lichamelijk lijden. Al die jaren is hij door zijn verlammingen gekweld. Een onwillig lichaam dat niets meer kan waardoor hij compleet afhankelijk is geworden van anderen. Door zijn verlamming staat hij aan de zijlijn van het leven. Dat geeft hem ongetwijfeld ook veel mentaal lijden. Het moet zó frustrerend zijn dat hij het grootste deel van zijn leven machteloos heeft moeten toezien hoe anderen hun leven kunnen leven. Al zíjn dromen en al zijn verlangens worden niet vervuld. Al vele jaren, bijna een mensenleven lang. Dat moet hem een kwellend eenzaam gevoel hebben gegeven. Het maakt me wat duidelijker dat hij zo machteloos heeft moeten toekijken omdat er niemand voor hem was. Daarmee kom ik ook bij zijn derde vorm van lijden: het lijden van het sociale onrecht. Hoeveel mensen zullen daar rondom het water hebben gezeten? Er lag in ieder geval een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden. Ik denk dan aan vele tientallen mensen. Daarom vermoed ik ook dat het water met enige regelmaat in beweging kwam. En hoe lang hebben deze mensen geprobeerd om als eerste in het door de engel bewogen water te komen? Een paar maanden, een paar jaar, tien jaar, langer? Maar 38 jaar…? Blijkbaar is er niemand voor hem opgekomen. Niemand die tegen de grote groep zei: “Wanneer het water in beweging komt dan blijft iedereen op zijn plek want deze man, die hier al 38 jaar ligt, gaat nu eens voor. Hij heeft hier al lang genoeg gelegen en heeft al zoveel mensen hersteld zien vertrekken. Nu is hij aan de beurt”. Nee, dat is niet gebeurd. Misschien is er wel iemand als eerste het water in gerend met een huidziekte die er, bij wijze van spreken, maar vijf dagen heeft liggen wachten. Voel je hoe dat bij deze man kan knagen aan gevoelens van onrechtvaardigheid? “Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water”. Ik kan zijn antwoord steeds beter begrijpen. Wat een eenzaamheid!

Jezus geeft hem weer de kracht om op zijn benen te staan. Als Jezus iemand geneest, als Jezus jou geneest, dan wil dat niet zeggen dat daarmee ook de banden met het verleden worden doorgesneden en dat de geschiedenis wordt uitgewist. Integendeel, we hebben te aanvaarden dat de dingen van het leven zijn gelopen zoals ze gelopen zijn. We zullen alle vormen van pijn die het verleden ons heeft meegegeven moeten leren dragen. De lichamelijke pijn, de mentale pijn van de gevolgen van het fysieke lijden, de pijn van het sociale isolement of de pijn van het aangedane onrecht; net zoals de verlamde man zijn matras moest meedragen.
Velen van ons willen de pijn van het leven vergeten, negeren, vermijden of ontkennen. Niemand wil pijn voelen. Daarom puilen de wachtkamers van psychologen en therapeuten uit, op zoek naar genezing van welke pijn dan ook. Jezus geneest, richt ons op van de matras, de lig-mat. Hij wil niet dat de pijn van het leven ons als persoon verlamt waardoor we niet meer zelf in beweging komen en dat we afhankelijk zijn van anderen. Jezus zegt dat we op eigen benen in het leven mogen staan. Zo mogen we ons verbinden met de ander en met het leven, onze pijnen met ons meedragend. Want we zijn in de loop der jaren gevormd door die pijn en moeite.

“Pak uw matras op” Dat wil niet zeggen dat je je geschiedenis definitief achter je kan laten. De genezen man is nog maar net onderweg of hij wordt aangesproken op het dragen zijn matras. Geen blijdschap van de mensen om hem heen om zijn bijzondere genezing maar venijnige en harde woorden. Zo kunnen wij meer dan ons lief is aangesproken en geconfronteerd worden met ons verleden dat we juist proberen te dragen. Een proces waarbij we niet altijd hoeven te rekenen op steun of begrip van de omgeving.

Er is nog iets wat me opvalt. Dat is de manier waarop Jezus deze man geneest. In deze geschiedenis raakt Jezus de verlamde man niet aan en Hij reikt hem ook niet de hand, zoals Hij bij een aantal andere genezingsgeschiedenissen wel doet. Deze keer een échte ‘hands-off therapie’. Ik zie dat daarmee een zekere cirkel rond is. Immers, aan het begin van deze geschiedenis stak ook niemand hem de helpende hand toe. De man zal, gesterkt door Jezus krachtige woorden, zelf in de benen moeten komen en opstaan. Dat was voor deze man, pastoraal gezien, de vorm die het beste bij hem aansloot. Zelf gaan opstaan, zelf je matras gaan dragen, op eigen benen staan en ook zelf het leven weer in gaan.

 

 

[1] Als je goed leest dan zie je dat vers 3 ineens overgaat in vers 5. Er zijn vroegere bronnen die hier nog de volgende tekst staan (en dat is het niet genoemde vers 4): ‘en verlamden, die het moment waarop het water in beweging kwam afwachtten. Want op een bepaald moment daalde een engel van de Heer neer in het bad en die bracht het water in beweging. En wie het eerst in het bad was zodra het water was gaan bewegen, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had’.

[2] De Schaapspoort was de stadspoort waardoor de schapen de stad werden binnengebracht die dienden als offers in de tempel. Vlak bij de Schaapspoort was de schapenmarkt, waar deze offerdieren konden worden gekocht. De Schaapspoort verwijst in die zin naar “het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1:29).