Tenk ju!

In februari 2019 was ik voor de tweede keer in Camp Moria op het Griekse eiland Lesbos. Daar heb ik gewerkt met minderjarige alleengaande (boot-)vluchtelingen. Het onderstaande stukje is het laatste deel van mijn reisverslag. Het bevestigt wederom de grote kracht van aanraken. Zoals Jezus zoveel mensen heeft aangeraakt waarmee Hij mensen wist te ráken.

‘Wonen’ in erbarmelijke omstandigheden in de Olivegrove; Camp Moria, Lesbos

Oxytocine
Er is nog zoveel te zeggen. Iedere dag maakte ik mooie en bijzondere dingen mee. Met Achmed, Fawad, Ali, Fereidon, Najibulla, Einat, Mohammed en noem ze allemaal maar op. Ik heb besloten om nog één verhaal met jullie te delen. Omdat dit precies de kern weergeeft waarom ik zo blij ben hier geweest te zijn en waarom ik graag weer een keer terug wil gaan. Komt ie.

Bij ons thuis noemen we dit het oxytocine-momentje. Oxytocine is het zogenaamde knuffelhormoon. Voordat we iets gaan uitpraten na een onenigheid geven we elkaar eerst een knuffeltje. Dat maakt het hoofd wat rustiger en het hart wat milder. Het gaat ons in eerste instantie om de relatie, daarna pas om de inhoud.

Mohammed. Zijn gezicht staat vaak op onweer. Hij heeft nagenoeg geen contact met andere jongens in de sectie. Dat is niet zo verwonderlijk. Je hebt zo ruzie met hem. Bij het uitdelen van het eten dringt hij voor in de rij, hij kijkt je nagenoeg niet aan, is amper aanspreekbaar en eist vaak op bitse toon extra eten. Ik zal met enige schaamte toegeven dat ik meestal wel een kleine zucht van opluchting slaakte als dit steeds terugkerende gedoe achter de rug was, als hij zijn eten mokkend meenam en weer naar zijn kamer ging. Daar verblijft hij het meeste van de tijd, liggend op zijn bed, kijkend naar films op zijn mobiel.

Toch had ik hier geen vrede mee. Ik vond zijn gedrag echt niet fijn maar ik vond het ook niet fijn wat het met mij deed. Mijn cliënten vertel ik vaak dat er meestal maar één goede manier is om met problemen om te gaan en dat is door ze aan te gaan. Als ik iets met Mohammed wilde dan moest ik contact met hem zien te maken. Ik ben op een zeker moment zijn kamer in gegaan. Daar was hij. Alleen, zoals zo vaak. Liggend op zijn bed films aan het kijken. Op de gebruikelijke openingsvraag hoe het met hem ging zei hij dat het prima was. Ik gaf hem aan dat ik de indruk had dat hij veel zorgen heeft. Hij zuchtte en keek weg. Ik ging op kniehoogte naast hem op zijn bed zitten en legde mijn hand op zijn been. Met een beetje doorvragen deed hij zijn verhaal. Een verhaal dat grote gelijkenissen vertoont met verhalen van zovelen hier. Ik val in herhaling-herhaling-herhaling. En toch raakt het me elke keer weer opnieuw. Geen ouders meer, gevlucht uit Pakistan, een broer en een zus in Jordanië, een broer in België en hij hier in Moria. Ja, hij had het moeilijk, heel moeilijk. Hij voelde zich zo eenzaam. In mij begint de achtbaan van gedachten en gevoelens weer op tempo te draaien. Mohammed had niet zoveel woorden en maakte amper oogcontact. Ik denk dat hij van nature al niet zo vermogend is om zich goed te kunnen uiten. Om daarbij niet te vergeten dat het nog maar een manneke van 17 is en zoveel wonden op zijn ziel heeft. En je dan nog moeten zien uit te drukken in een vreemde taal?

Ik pakte zijn hand vast, en hij hield de mijne vast. We hebben verder niet zo heel veel meer gezegd, alleen maar een tijdje gezeten. “Tenk ju my frend for listenink”  zei hij ineens. Ik was sprakeloos en kreeg kippenvel op mijn armen. En vanbinnen zó blij dat hij, de etterkop van deze sectie, dít zei.

Een hand op een been, een hand vasthouden. Het maakt het hoofd wat rustiger en het hart wat milder. Zelfs dat van Mohammed.